|
Januari-effect Feiten en mythen over het januari-effect
In de afgelopen decennia is er veel geschreven over welke maanden mooie koersontwikkelingen laten zien en welke niet. Een bekende beurswijsheid dat hier op inspeelt luidt: “Sell in May and go away, but remember to come back in September”. Naast de slechte beursmaanden in de zomer, leert de geschiedenis ons dat de maand januari vaak mooie koerswinsten oplevert.
Volgens de gangbare efficiënte markt theorie is dit echter niet mogelijk. Immers, als iedereen weet dat bepaalde maanden in de regel goede beleggingsmaanden zijn, waarom spelen beleggers daar dan niet massaal op in? Dit zou kunnen door in de maand december aandelen te kopen en deze dan weer na de goede beursmaand januari te verkopen. Door de verkoopdruk in januari zullen de goede rendementen in januari vanzelf verdwijnen. In dit artikel zal ik proberen de feiten en mythen van het januari-effect op een rijtje te zetten.
Januari-effect voor 1990 Er is veel wetenschappelijk onderzoek geweest naar het bestaan van het januari-effect. Het gros van de onderzoeken heeft betrekking op de Verenigde Staten en op data van voor 1990. In de periode 1900 tot ongeveer 1990 bleek januari inderdaad hogere rendementen op te leveren dan de rest van het jaar. Het rendement bleek ongeveer 3% hoger te zijn dan het gemiddelde jaarrendement. Opvallend is dat het extra rendement voornamelijk gold voor kleinere bedrijven en dan met name kleinere bedrijven die in het afgelopen jaar een slechte koersontwikkeling hadden laten zien.
De grootste koersstijging deed zich voor in de eerste vijf handelsdagen van januari. Een studie, waarin dit specifieke effect is onderzocht, toont aan dat het verschil in rendement over de eerste vijf handelsdagen van januari in de periode 1963 tot 1980 tussen een aandelenportefeuille met de kleinste ondernemingen en die met de grootste ondernemingen ruim 8% bedroeg.
Verklaringen januari-effect Vele pogingen zijn gedaan om dit verband nader te verklaren. Een van deze mogelijke verklaringen is de belasting in de Verenigde Staten. Het rendement op aandelen wordt in de Verenigde Staten namelijk bij verkoop belast met vermogenswinstbelasting. Anderzijds zijn de gerealiseerde koersverliezen aftrekbaar. Aandelen die in een bepaald jaar zijn gedaald, dalen tegen het jaareinde verder, omdat beleggers deze aandelen verkopen om de belastingdruk te minimaliseren. Met name de aandelen met een relatief kleine beurskapitalisatie moeten het hierbij ontgelden. Aan het begin van het nieuwe jaar is de verkoopdruk weg en keren deze aandelen terug naar een hoger niveau. Dit argument wint aan kracht als we in ogenschouw nemen dat het januari-effect nog niet bestond voor de introductie van de vermogenswinstbelasting in de Verenigde Staten. Hoewel het belastingargument plausibel lijkt, kan dit het januari-effect niet volledig verklaren. Het januari-effect komt namelijk tevens voor in landen waar geen vermogenswinstbelasting is, zoals bijvoorbeeld Japan en Nederland.
Een andere verklaring is het feit, dat vermogens- en fondsbeheerders de slecht presterende aandelen uit hun portefeuilles halen om op deze wijze hun aanwezigheid in de eindejaars rapportage te voorkomen (“windowdressing”). Ook in dit geval worden om voornoemde reden met name de aandelen van kleinere ondernemingen (“small caps”) verkocht. De herinvestering vindt plaats in “veilige” blue chips, die veelal de performance van een relevante index weerspiegelen. In het begin van het nieuwe jaar worden die posities teruggedraaid en keren de “small caps” terug naar hun evenwichtsprijs na de overreactie van het jaar daarvoor.
Is er nog steeds een januari-effect? Hoewel het januari-effect de laatste jaren afneemt, bestaat het nog wel degelijk. Hoe kan dit? Aangezien de meeste beleggers op de hoogte zijn van het januari-effect bij met name kleinere bedrijven, zou je mogen verwachten dat dit effect weggearbitreerd zou worden. De meest professionele partijen (de grote institutionele beleggers) kunnen immers massaal de “small caps” in december kopen en deze in januari weer verkopen.
Mijns inziens is een van de meest belangrijkste reden dat januari nog steeds een goede beursmaand voor “small caps” is, het feit dat vanwege de beperkte omvang van de fondsen institutionele beleggers weinig in “small caps” handelen. Hierdoor kunnen deze instituten de inefficiëntie niet of nauwelijks wegarbitreren.
Daarnaast speelt de psychologie nog een belangrijke rol. Aan het einde en in het begin van een jaar, zijn veel beleggers en analisten hoopvol over het komende jaar. Later in het jaar, verdwijnt vaak het optimisme waardoor beleggers hun aandelen verkopen met lagere koersen als gevolg.
Hoewel het januari-effect dus nog steeds opgaat, wordt het wel minder. De laatste jaren zien we eigenlijk een verschuiving van een januari-effect naar een december- en zelfs een november-effect. Steeds meer beleggers spelen in op het januari-effect door de aandelen steeds eerder te kopen. Doordat januari toch nog vaak mooie rendementen laat zien, worden de aandelen pas later in het jaar verkocht.
Conclusie Hoewel het januari-effect bij kleinere aandelen nog steeds bestaat, wordt het effect wel minder. Het lijkt erop dat december en zelfs november de betere beursmaanden beginnen te worden. Of dit volledig te wijten is aan het feit dat beleggers elkaar te slim af willen zijn en al vroeg aandelen kopen om gebruik te maken van het januari-effect, is nog niet geheel duidelijk. Mijns inziens zal het januari/december-effect voorlopig blijven bestaan. De grote institutionele partijen zijn te groot om kleinere aandelen massaal te kopen en te verkopen. Een andere reden heeft te maken met de transactiekosten. Immers, het effect moet wel dusdanig zijn dat u uw aan- en verkoopkosten minimaal kunt terugverdienen.
drs RH.J. de Jong is vermogensbeheerder bij Van Lieshout & Partners N.V., private bankers.
Terug naar overzicht
|