|
Assignment en exercise
Naar aanleiding van mijn vorige column “Cashen met Shell” heb ik een aantal lezersvragen ontvangen. Hieruit blijkt, dat voor sommigen onduidelijkheid bestaat over de risico’s van assignments in geval van verkochte opties. Omdat deze vragen vaker terugkomen, lijkt het mij goed om daar in deze column nader op in te gaan.
De verkoper (schrijver) van een put of call optie verkoopt een recht, namelijk het recht om aandelen van de schrijver te kopen (in geval van een call optie) of het recht om aandelen aan de schrijver te verkopen (in geval van een put optie). Voor dit recht betaalt de koper een prijs, de optiepremie.
De koper van een optie kan zijn optie op enig moment weer verkopen of uitoefenen (“exercisen” in optietaal). In geval van een exercise krijgt de verkoper een “assignment”, een aanwijzing tot levering. De optie is daarmee vervallen. De koper krijgt de aandelen tegen de uitoefenprijs, de verkoper ontvangt de uitoefenprijs.
De optiepremie bestaat uit intrinsieke waarde en verwachtingswaarde. De intrinsieke waarde van een call is de positieve uitkomst van: actuele koers minus uitoefenprijs. Voor een put is dat het positieve verschil tussen uitoefenprijs minus actuele koers. Dat deel van de optiepremie dat niet intrinsieke waarde is, is verwachtingswaarde. Dit kan ook de gehele optiepremie zijn, indien de verwachtingswaarde nihil is.
Een voorbeeld:
Fonds X noteert 98. De call met uitoefenprijs 100 noteert 3, de call met uitoefenprijs 95 noteert 5 en de put met uitoefenprijs 100 doet 4.50.
De intrinsieke waarde van de call 100 is 0 want: 98 – 100 = -2. Hier is geen positieve uitkomst, dus geen intrinsieke waarde. De volledige premie bestaat dus uit verwachtingswaarde.
Bij de call 95 is dat anders. Deze heeft een intrinsieke waarde van 98 – 95 = 3. De resterende 2 is verwachtingswaarde. Hoewel deze call intrinsieke waarde heeft, zal de houder van de call zijn/haar recht niet uitoefenen. Want na uitoefening is het optierecht vervallen en verliest hij dus ook de verwachtingswaarde. Via uitoefening kost het aandeel 95 (de uitoefenprijs). Goedkoper is het om in plaats van exercisen twee aparte transacties te doen: het verkopen van de call voor een opbrengst van 5 en tegelijk het aandeel op de beurs kopen voor 98. De effectieve kostprijs is dan 93.
Voor de put geldt hetzelfde. De intrinsieke waarde is hier 2 (100 – 98) en de verwachtingswaarde 2.50. Bij deze prijzen is ook hier geen assignment risico.
Let op verwachtingswaarde
De conclusie luidt dus: als u een optie verkoopt, mag uw tegenpartij op elk moment tussen het kopen van uw optie en de afloopdatum de optie uitoefenen, maar hij zal dat niet doen zolang de optie verwachtingswaarde heeft. Meestal heeft een optie nog verwachtingswaarde tot kort voor de expiratiedatum. Dit is anders indien een optie zeer “deep in-the-money” is. De verwachtingswaarde is dan vrijwel nihil en het risico op uitoefening groot.
Het is dus geen probleem als een geschreven optie tijdens de looptijd intrinsieke waarde heeft. Waar goed op gelet moet worden, is de verwachtingswaarde. Als deze (bijna) nihil is en men geen assignment wil, moet de optie gesloten (teruggekocht) worden of doorgerold. Doorrollen betekent dat de eerder verkochte optie wordt teruggekocht en gelijktijdig een nieuwe optie wordt verkocht met een langere looptijd en/of lagere (put) of hogere (call) uitoefenprijs.
Kees van Lieshout
|