Vermogensbeheer
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Debiteurenrisico
 
Naast het renterisico is het debiteurenrisico een belangrijk risico waar een obligatiebelegger rekening mee moet houden. De koper van een obligatie loopt de kans dat de uitgever van een obligatie niet in staat zal zijn aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen (ook wel kredietrisico). Het spreekt voor zich dat een onderneming met een relatief lage kredietwaardigheid een relatief hoge vergoeding aan haar obligatiehouders zal moeten uitkeren. Afhankelijk van de risicoperceptie van de markt biedt de uitgevende instelling een bepaald aantal basispunten boven de risicovrije rente.

Om een goede inschatting te maken van het debiteurenrisico, kan onder andere gebruik gemaakt worden van enkele onafhankelijke kredietbeoordelinginstituten (Moody’s, Standard & Poors) die zowel de financiële kracht als de kwaliteit van het management van een onderneming beoordelen. Deze instituten geven ondernemingen een rating variërend van AAA (meest kredietwaardig) tot D (nauwelijks kredietwaardig). Bovendien wordt de invloed van verschillende economische scenario's (waaraan kansen worden toegekend) op de cijfers doorgerekend. Een rating geeft dus een inschatting in hoeverre aan de toekomstige verplichtingen kan worden voldaan (rentebetaling, aflossing en herfinanciering). De meningen van deze instituten over een onderneming lopen nauwelijks uiteen. De afgegeven ratings variëren van:

Moody’s: Aaa, Aa, A, Baa, Ba, B, Caa, Ca, C, D (met een verdere verfijning dmv 1,2 en 3).
S&P: AAA, AA, A, BBB, BB, B, CCC, CC, C, D (met een verdere verfijning dmv + en -).

De AAA leningen zijn meestal staatsleningen. De leningen in het segment daaronder (AA en A) zijn met name uitgegeven door banken en verzekeraars. Leningen met een lagere rating worden veelal uitgegeven door de overige ondernemingen.

Zoals uit onderstaande grafiek blijkt, neemt het risico van faillissement en dus het kredietrisico van bedrijven met een lage rating substantieel toe. Indien een B-lening wordt gekocht met een looptijd van 10 jaar, dan is de kans dat de onderneming na 10 jaar nog bestaat ongeveer 60 %. Bij een A lening is dit ongeveer 98 %.

Opgemerkt dient te worden dat indien een onderneming daadwerkelijk failliet gaat, een obligatiehouder incidenteel toch nog een gedeelte van zijn geld terugkrijgt. Bij een B-lening is dit ongeveer 20 %. Met behulp van een simpele formule kan nu berekend worden wat het extra rendement moet zijn ter compensatie van het kredietrisico.

Kans op faillissement

---------------------------------

x

(100% - terugstorting)

N jaren

Stel nu eens dat de lening uit ons voorbeeld een B-rating heeft. Het extra rendement boven de risicovrije rente dat deze lening moet opleveren om voldoende gecompenseerd te worden voor het kredietrisico bedraagt (40 % / 10 jaar) x (100 % - 20 %) = 3,20 %. Indien het rendement op staatsleningen met een looptijd van 10 jaar 4,20 % bedraagt, dan dient het rendement op deze B-lening minimaal 7,40 % te zijn. Eerder hadden we berekend, dat de lening 5,26 % rendeert. Dit betekent dat het rendement te laag is en dus dat de obligatie overgewaardeerd is.